Pastoor Lebrun richt regelmatig zijn bemoedigende woorden tot ons in woord en beeld. Onderstaand kunt u een aantal van zijn preken en berichten nalezen.

 

 

Een pleidooi voor Stille Zaterdag

Het coronavirus blijft ons achtervolgen. In het afgelopen jaar veroorzaakte de pandemie wereldwijd een soort Goede Vrijdag in het leven van duizenden families. Door de vaccinaties komt er licht aan het einde van de tunnel maar de weg eruit is lang, vermoeiend en zwaar. Het licht verbleekt bij tijd en wijlen. Alsof het niet echt kan doorbreken. Het is blijkbaar nog lang geen Pasen. We kunnen het Paasfeest wel vieren maar dat gebeurt nog in kleine kring. Het Alleluia klinkt nog wat dof en met gedempte stem. We leven ergens tussen Goede Vrijdag en Pasen. Het is dus meer dan ooit Stille Zaterdag.

 

Die gedachte bekruipt me ook op gelovig en kerkelijk gebied. Het lijkt wel alsof het christelijk geloof in de Lage Landen zijn Stille Zaterdag beleeft. Stille Zaterdag is de dag waarop niemand weet wat het worden zal. Een dag tussen vrees en hoop. Stille Zaterdag is een “kanteldag”; de dag die niet weet of hij aan moet sluiten bij Goede Vrijdag waarop de dood het laatste woord krijgt of moet overhellen naar Paaszondag waarop het graf opengaat. Het is de stille dag van het twijfelen en het niet weten. Is ook de hedendaagse mens geen twijfelaar die enerzijds wil afhaken en anderzijds blijft verlangen? Misschien dat het altijd een beetje Stille Zaterdag zal zijn, ook na Pasen.

 

In een wereld, getroffen door Corona, mogen we Pasen vieren en staan we stil bij het mysterie van dood en leven. We doen dat als gelovigen anno 2021, levend in een seculiere wereld, waar geloof lang geen vanzelfsprekendheid meer is; eerder een optie die vaak ter discussie staat. Toch heeft ons christelijk verhaal wel degelijk iets waardevols te melden hierover.

In het voorbije jaar hebben we ervaren hoe broos en kwetsbaar we zijn. Een miniscuul virus bleek in staat om ons leven en samenleven zowat lam te leggen en ons tot op vandaag flink te beperken. We dachten alles te kunnen maar onze maakbaarheidsideologie werd doorprikt door een microscopisch kleine kracht die we amper de baas kunnen en die het voor ons beslist. Het leed en de pijn die het covid-virus veroorzaakt zijn immens en gaan diep; op persoonlijk vlak maar ook sociaal-economisch.

 

Temidden hiervan mogen we geloven in een God die niet wegkijkt maar die solidair is. De bijbelse God is niet de Onbewogen Beweger van Aristoteles; veeleer een God die begaan is met mensen, een God die solidair wordt met ons, ook in het lijden en de dood. In Jezus heeft Hij ons dat getoond. In het bijzonder vieren we dat op Goede Vrijdag.

Op Stille Zaterdag gedenken we dat “Hij nederdaalt ter helle”, zoals de geloofsbelijdenis klinkt. Een moeilijk geloofspunt: Jezus die de poorten van het dodenrijk opent. De sjeool van de Joden, de Hades van de Grieken waren een droevige vergeetput voor alle gestorvenen. Welnu, die duistere onderwereld wordt met zijn nederdaling ter helle opengebroken. De oosterse icoon van de verrijzenis verbeeldt dat prachtig: Jezus daalt af in het dodenrijk en Hij neemt er Adam  -Elckerlyc, elke mens-  bij de hand om hem te doen opstaan. Zo verklaart Hij de dood aan de dood.

Kunnen we dat geloven? Of is het een mythe? De kruisdood is geen geloofspunt maar een feit. De verrijzenis is het geloofspunt. De kracht van Stille Zaterdag bestaat erin dat we de tijd krijgen om de dood onder ogen te zien en te aanvaarden maar tevens om te leren hopen en vertrouwen op nieuw leven. Stille Zaterdag is de dag van de overgang tussen pijn enerzijds en hoop anderzijds. Elke mens die iets heeft meegemaakt, weet: dit is geen kwestie van één dag. Dit vraagt tijd.

 

Christenen zijn geen Goede Vrijdagmensen die treuren en wanhopen. Ze hebben weet van verrijzenis: de dood heeft niet het laatste woord. Maar christenen zijn evenmin Alleluia-mensen die blind zijn voor de realiteit. Overtrokken vreugde is naïef en dwaas. Het leven is niet één groot feest. Dat merkten we afgelopen jaar maar al te goed. Christenen weten van het lijden maar koesteren tegelijk een grotere hoop die hun leven en liefde voedt. In die spanning zijn we Stille Zaterdagmensen; tussen Goede Vrijdag en Pasen in; wetend dat uiteindelijk Leven het haalt op dood.

 

Zalig Pasen

 

David Lebrun, pastoor parochie heilige Augustinus

 

 

 

Wijsheid in citaten?

“Never waste a good crisis.” Nee, geen citaat uit de Schrift maar één van Winston Churchill. Hij zou die woorden hebben uitgesproken in de nasleep van de Tweede Wereldoorlog. Er zit ongetwijfeld veel in. Toch durf ik te betwijfelen of Churchills advies vandaag bij iedereen in goede aarde valt. Nog los van de financiële ellende die de coronacrisis voor velen met zich meebrengt, de lockdown eist een flinke mentale tol. De rek is eruit. Mensen zijn het moe, snakken naar wat meer bewegingsvrijheid. Eenzaamheid en wanhoop slaan toe. Depressies bij jongvolwassenen, lange wachttijden bij de GGZ,… Hoe langer dit duurt, hoe groter de inbreuk op het sociale en psychische welzijn.

Toch gloort er licht aan het einde van de tunnel. De vaccinatiecampagnes zijn volop aan de gang. Ook al zijn ze onderwerp van discussie, de vaccins willen ons beschermen tegen gevaar. Ze willen ziekte en dood weren. Of om een ander citaat aan te halen, deze keer wel uit de Bijbel: “Het licht schijnt in de duisternis”. Dat was niet ooit, ergens een keer het geval. Het geldt ook voor vandaag. Er gaat een soort ­oproep, een uitnodiging van die woorden uit om in dat licht te gaan leven, het duister voorbij. Wat dit betekent? Misschien wel dat we de gedachte mogen loslaten dat we alles kunnen beheersen. Vaak hoor ik mensen zeggen -ook binnen de corona-discussie-  dat we het milieu te lang verwaarloosd hebben en dat de natuur nu keihard terugslaat. Zit ook hier niet de al te menselijke gedachte achter dat we het uiteindelijk zelf allemaal in de hand hebben? Uiteraard hebben we onze verantwoordelijkheid en wanneer het gaat over het milieu hebben we die de afgelopen decennia niet voldoende genomen. Maar geloven dat wij de perfecte wereld kunnen scheppen; is dat geen illusie?

Corona confronteert ons met een hardnekkig type realisme dat maar blijft geloven in de maakbaarheid van alles, in de idee dat de veiligheid, het geluk en het welzijn van mensen kan worden afgedwongen door wetten, technische vernuftigheden en maatregelen die de mens uiteindelijk zegevierend uit de geschiedenis ­tevoorschijn doen laten komen. Forget it! We dachten zowat dat het hele bestaan maakbaar was. En wat gebeurde er nu een jaar geleden? Een klein onzichtbaar virus prikte die visie op hardhandige wijze door. Natuurlijk moet er alles aan gedaan worden om het virus eronder te krijgen. Maar ik denk dat er tegelijkertijd ruimte nodig is voor het besef dat de natuur, de ­wereld, zich niet volledig laat beheersen. Ooit schreef Frans Kellendonk: “Wat je moet behouden is een scepsis, een vrijheid, het gevoel van de ongrijpbaarheid van alles”. En in diezelfde geest schreef Dostojewski: “Daardoor is de wereld juist des te mooier, dat zij een geheim is”.

Na al die citaten, toch terug naar het schriftcitaat: “Het licht schijnt in de duisternis”. Te vaak vergeten we dat we zelf het duister voorbij kunnen komen zodra we die duisternis niet meer als de allesbepalende werkelijkheid zien. Wat is dan dat licht, waar komt het vandaan? Plato zag het oplichten vanuit de grot. Johannes en Dostojewski zagen het in Degene wiens leven op het eerste gezicht eindigde in de diepste ellende. Daar was het, ongrijpbaar voor wie beheersen wil, maar aanwezig voor wie ontvankelijk is, het wil zien en tot zich neemt. “En de duisternis heeft het niet in haar macht gekregen”, voegt Johannes eraan toe. Als we ons dan toch ergens aan vasthouden, laat het dan dat zijn. Dat dit licht in ons mag blijven branden. Dat het sterker is dan alle narigheid. Laten wij elkaar in deze lastige tijd vasthouden en opbeuren. Als wij elkaar dan troosten en bemoedigen, kunnen wij elkaar genezend nabij zijn. Wat is het mooi als wij gevoelens van duisternis, somberheid en wanhoop kunnen ontmantelen en zo elkaar uitzicht geven, uitzicht op het licht.  Zo gaan we op weg naar Pasen. Dan zullen we vieren dat het licht de duisternis overwint.

David Lebrun, pastoor parochie Heilige Augustinus

Augustinus, Amerika, Nederland

Ruim 2,6 miljoen Nederlanders keken naar de inauguratie van de nieuwe president van Amerika. Bij elke inauguratie valt mij op hoe Amerika niet zonder God kan. Citaten uit de Schrift, verzen uit de psalmen: ze horen er bij.

Nu de president katholiek is, mag niet alleen de Bijbel niet ontbreken; ook de heiligen doen mee. Wat mij opviel is dat de nieuwe president Augustinus aanhaalde. Hij citeerde uit één van zijn werken: “De stad Gods”. De uitspraak waar het om gaat, luidt: “een gemeenschap is een groep mensen die zich door hun liefde voor dezelfde dingen laat bepalen.” 

Op het eerste zicht klinkt het onschuldig en zelfs wat banaal: waar je van houdt, bepaalt je identiteit als gemeenschap, als volk. Toch zit in dat ene zinnetje een visie op de maatschappij. Dit wordt duidelijk in de punten die Biden vervolgens noemt en vooral in wat hij niet noemt. Wat hij noemt is: “vrijheid, gelijke kansen, waardigheid, respect en waarheid.” Dat bepaalt wat volgens Biden de Amerikaanse maatschappij bijeenhoudt. Dat betekent dus ook dat een heleboel dingen niet bepalend zijn: huidskleur, geslacht, geaardheid, het ene of andere geloof.

Anders gezegd: via Augustinus vindt Biden een visie die polarisatie kan overstijgen. Want van iets als waardigheid, respect en waarheid kan iedereen houden. Daar hoef je geen man of vrouw, geen blanke of kleurling, geen Democraat of Republikein voor te zijn. Wat in eerste instantie een onschuldig zinnetje leek van Augustinus, blijkt een stevig programma in zich te dragen, gericht op eenheid. Het ontkent de geldigheid van allerlei scheidslijnen tussen mensen door ze niet eens meer te noemen maar door simpelweg nieuwe criteria in te voeren en zo de blikrichting te draaien. De vraag is niet langer: hoe maken we onderscheid tussen mensen?, maar wel: wat verenigt hen? Bovendien zijn de dingen die verenigen geen kenmerken die de één wel heeft en de ander niet. Veeleer zijn het waarden waar we allen van mogen houden, waar iedereen naar kan streven en waardoor gemeenschap handen en voeten krijgt.

Het citaat van Augustinus, “een heilige van mijn kerk” zoals Biden hem noemde, kan ook voor de Nederlandse samenleving van betekenis zijn. Immers, niet alleen Amerika maar ook Nederland lijdt onder polarisatie en verdeeldheid. Daarom lijkt het mij de moeite waard om de uitspraak van Augustinus als vraag te horen: “Wat zijn de dingen waar Nederlanders van houden en wat maakt ons tot een gemeenschap?” Het is een vraag die ook elke gemeente en elke parochie zich dient te stellen. Is het ook hier mogelijk de denkrichting om te draaien: van de vraag “hoe moet je zijn om erbij te horen?” naar “welke idealen verenigen ons?”. Kortom: welke waarden zijn ons dierbaar en lief? Welke waarden helpen ons om de polarisatie te overstijgen? In de aanloop naar de komende verkiezingen ben ik benieuwd het antwoord hierop te horen van de Nederlandse partijen. En soms, soms wordt het antwoord zomaar gegeven door gewone mensen die spontaan de handen uit de mouwen steken. Op het ogenblik dat ik dit schrijf, zijn de vier dagen van rellen en oproer voorbij. En wat valt mij dan op? Dan valt mij op hoe de niet-rellende, overgrote meerderheid van de Nederlandse bevolking de boel uit eigen beweging helpt herstellen en zo een verpletterend bewijs levert van eendracht, solidariteit en vastberadenheid. Het zijn de mooiste kanten van ons land. Burgers mobiliseren zich om samen glasscherven op te vegen en puin te ruimen, een groep ondernemers besluit om een nieuwe piano te schenken voor de stationshal van Eindhoven, de winkelierster van de vernielde Primera in Den Bosch krijgt via fondswerving in een mum van tijd een ton om alles weer op te bouwen,…”Dit zegt ontzettend veel over wie wij ook zijn”, hoorde ik een politicus zeggen. Of Augustinus parafraserend: door de waarden die we hoog houden en waarmaken, wordt duidelijk wie we zijn als gemeenschap, als volk.

Waar gaan we voor? Niet voor wat ons scheidt, niet voor geweld en vernieling, hoop ik. Wel voor wat ons bindt en opbouwt. Laten we zo sleutelen aan gemeenschap in stad en land, in gemeente en parochie. Zo krijgen polarisering, verdeeldheid en geweld niet het laatste woord en kunnen we iets constructiefs weerspiegelen.

Omdat de uitzending van de viering van 22 november 2020 via ons YouTube-kanaal werd onderbroken door een technische storing hebben de kijkers/volgers niet de gehele preek kunnen horen. Daarom publiceren we de tekst onderstaand, zodat u die nog eens rustig kunt lezen.

Overweging            Christus Koning                22 november 2020

Ooit al gehoord van Pierre Monteux? Ooit was hij de dirigent van het beroemde orkest van San Francisco. Het verhaal gaat dat hij op een avond aankwam bij een hotel. Er zat iemand bij de receptie die hem amper aankeek en bitsig zei: We zijn vol. Opeens zag ze wie er voor haar stond. O, ik zag niet dat u iemand was. Waarop Pierre Monteux zei: Pardon mevrouw, iedereen is iemand. Au revoir.

Iedereen is iemand. Is dat niet wat het evangelie vandaag zegt? Niet alleen Pierre Monteux of welke hotemetoot ook. Ook de mens die het niet zo getroffen heeft. Ook die maffe neuroot. Ook die psychisch gestoorde…Wie zijn wij dat we ons meer, dat we ons beter zouden achten?

Vorige week verscheen het eerste deel van de mémoires van oud-president Obama. Hierin vertelt hij o.a. hoe hij op school als kleine jongen met de groep meedeed en een klasgenootje pestte. Op een bepaald moment komt zijn moeder het te weten.  En dan schrijft hij: “Mijn moeder zette mij op een stoel, knielde bij mij neer en zei: “Barry, op deze wereld zijn er mensen die alleen maar aan zichzelf denken. Het maakt hen echt niet uit wat er met andere mensen gebeurt. Zolang zij maar krijgen wat ze willen. Ze halen andere mensen onderuit om zichzelf belangrijk te voelen. Maar er zijn ook mensen die het tegenovergestelde doen, die het vermogen hebben om zich voor te stellen hoe anderen zich voelen. Zij zorgen ervoor dat zij niets doen wat anderen pijn doet. Mijn moeder keek me recht in de ogen, schrijft Obama, en ze vroeg mij: welk soort mens wil jij zijn? Ik voelde me niet prettig”, schrijft Obama. “Dat was wellicht ook haar bedoeling. Maar haar vraag is mij de rest van mijn leven bijgebleven”. Einde citaat!

Of anders gezegd: wat je kiest, het doet er toe. Is dat ook niet de opzet van heel die enscenering die we zonet beluisterden? Ik geef toe: het klinkt allemaal wat plechtstatig. De Mensenzoon die plaats neemt op zijn troon van glorie en dan een scheiding maakt tussen schapen en bokken. De rechter die zit op zijn troon ten gerichte. Je kunt denken: wat een fantasie! Óf is het een beeldende en verbeeldende manier om duidelijk te maken: wat je in je leven doet én wat je niet doet, het doet er wel degelijk toe. Zeg eerlijk: dat een verantwoordelijk mens eens ter verantwoording wordt geroepen, is toch niet zo’n vreemde gedachte.

Beste mensen, in dit evangelie is Jezus koning, maar dan wel een koning die zich met de minsten der mensen vereenzelvigt. Hij vraagt aan ons of we Hem daarin zijn nagevolgd. Of wij een helper waren voor wie geen helper hadden. Of wij een helper zijn voor wie geen helper hebben. Iets goeds, iets moois, gedaan aan een mens in nood, is aan Jezus zelf gedaan. Of zoals een oud Nederlands spreekwoord zegt: “De arme gegeven, is Gode geleend.”

Wellicht heb je ooit al gehoord van de “De Meester van Alkmaar”. Het is een prachtig schilderij. Elk van de panelen van dat schilderij laat één van de werken van barmhartigheid zien, zoals we die vandaag in het evangelie hebben beluisterd: de hongerigen spijzigen, de dorstigen laven, de naakten kleden, de vreemdeling herbergen, de zieken verzorgen, de gevangenen bezoeken, de doden begraven.

Op elk van deze panelen, en het zijn er 7 naar de 7 werken van barmhartigheid. Op elk van deze panelen kom je Christus tegen. Niet hoog op zijn troon van glorie, zoals vandaag in het evangelie, ook niet als degene die het brood uitdeelt of die de dorstige te drinken geeft. Nee, je ziet zijn gestalte steeds terug tussen degenen die bedelen om brood, die smeken om iets te mogen drinken, tussen de zieken die snakken naar bezoek. Kortom: wat je gedaan hebt voor één van deze geringsten, heb je voor Mij gedaan.

Nu kun je zeggen. Allemaal mooi maar de groeten, he. Ze zien maar. We kunnen toch niet elke zwerver in huis gaan nemen. Nee, dat kunnen we inderdaad niet maar we kunnen wel iets. Iets van goedheid betrachten, kunnen we allemaal!

De Franse filosoof Emmanuel Levinas sprak ooit over “de kleine goedheid”, “la petite bonté”. Hij schrijft, ik citeer: “Elke poging om het menselijke helemaal te organiseren is tot mislukken gedoemd maar het enige wat levendig overeind blijft, is de kleine goedheid van het dagelijks leven. De kleine goedheid is kwetsbaar, voorlopig, bescheiden, zonder triomf. Ze is gratuit maar juist daarom eeuwig. Het zijn gewone mensen, simpele zielen die ervoor zorgen dat ze zich telkens weer herpakt, ook al is ze volstrekt weerloos tegenover de machten van het kwaad. De kleine goedheid kruipt telkens weer overeind, zoals een platgetrapt grassprietje zich weer opricht. De kleine goedheid is misschien wel ‘gek’ maar ze is tegelijk het meest menselijke in de mens. Ze wint nooit maar wordt ook nooit overwonnen.” Einde citaat!

De kleine goedheid wint nooit tegenover alle ellende en kwaad maar in al haar kwetsbaarheid wordt ze ook nooit overwonnen. En precies daarom maakt ze het verschil.

Wat Levinas hier zegt, is wel waar en het ligt in ieders bereik. De kleine goedheid betrachten! Ze is het meest menselijke in de mens, hoorden we. Wie dit dag na dag probeert te doen, wordt een ander mens, een koninklijk mens. En daar gaat het toch om vandaag bij dit feest van Christus koning.

Als een koning kwam Hij, een koning die dient. Als een koning zal Hij komen, een koning in heerlijkheid. Tot Hij als koning komt, komt hij tot ons in de minsten der mensen, in elke mens die ons pad kruist.

Wat doen wij?, is de vraag. Of om het te zeggen met Barack Obama: “Mijn moeder keek me recht in de ogen en vroeg mij: welk soort mens wil jij zijn? Haar vraag is mij tot op vandaag bijgebleven”.

Amen.

Nieuwe vensters voor oude verhalen

Als slaven de bijbel lezen, gaan zij misschien denken en denkende slaven worden gevaarlijk”.
Deze woorden lezen we bij Anton de Kom in zijn klassieker uit 1934:  “Wij slaven van Suriname”.
De Kom legt in die passage uit dat het Nederlands koloniale regime zich pas laat druk maakte over de kerstening van slaven.
Of we hen moeten in contact brengen met het bijbelse verhaal?
Misschien maar beter niet, als ze maar hard werkten.
“Tot nog toe had de kolonie zich wel bevonden bij een tweetal voorgangers die uitsluitend baden tot de God der blanken voor het heil van de blanke gemeente”, aldus Anton de Kom die zelf uit een rooms-katholiek milieu kwam.
Deze woorden maken iets duidelijk van het “systemisch racisme” waar onze premier over sprak en waar we ons gelukkig steeds bewuster van worden.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog sloot de Kom zich in Nederland aan bij het verzet en in 1945 kwam hij om in een concentratiekamp.

Lees verder (klik hier)

“We’ll meet again”

Onlangs overleed Vera Lynn. Een symbool van veerkracht en hoop. Tijdens de oorlog wist ze het moreel van miljoenen Britse soldaten op te vijzelen. “We’ll meet again” werd haar absolute oorlogshit. Het beschreef perfect de hoop van de soldaten op een hereniging met hun geliefden, waar en wanneer dan ook. Niet zonder reden hoor ik deze ”evergreen” nog zo vaak bij uitvaarten, in kerk of crematorium. Ooit zei Vera Lynn in een interview: “Dat lied herinnerde de jongens aan datgene waar ze werkelijk voor vochten: geen ideologie maar dierbare persoonlijke dingen. Ik bracht ‘thuis’ voor hen een beetje dichterbij.” Heel begrijpelijk dat men haar “the sweetheart of the forces” noemde, de lieveling van de troepen.

“We’ll meet again” was in coronatijd het lied dat gezongen werd door leraren die het zonder leerlingen moesten stellen, door acteurs zonder theater, door horecabazen zonder klanten aan de toog, door pastoors zonder parochianen in de kerk. Sta me toe even stil te staan bij die laatste.

Vanaf begin juni zijn onze kerken weer open voor de publieke liturgie. Gelukkig. We kunnen ondertussen zeggen: “We have meet again”. We hebben elkaar weer ontmoet; zij het gedeeltelijk want niet meer dan 30 vooraf aangemelde personen mochten in de junimaand aanwezig zijn. Helaas hebben we mensen moeten teleurstellen. Elke zondagviering in Haarsteeg, Nieuwkuijk en Vlijmen was in de kortste keren volgeboekt

Er breken betere tijden aan. Vanaf juli wordt het aantal opgeschaald. Het blijft voorlopig wel een anderhalvemeter-kerk waar liturgische hygiëne in acht wordt genomen, waar éénrichtingsverkeer geldt zodat mensen elkaar niet kruisen, waar handgels het wijwater vervangen, waar samen zingen en de fysieke vredeswens nog uitblijven en waar de communie-uitreiking iets ingewikkelder verloopt. Ik begrijp dat dit niet op applaus wordt ontvangen en dat dit hier en daar op verzet en weerstand stuit. Ik ben zeker niet ongevoelig voor de bezwaren die hieromtrent leven maar omwille van de volksgezondheid die ons allen aanbelangt, dienen we ons te houden aan de voorgeschreven protocollen. We hebben immers de gezamenlijke verantwoordelijkheid om zorg te dragen voor elkaars gezondheid en welzijn. Bovendien kan en mag het kerkgebouw geen bron van besmetting worden. Optimale hygiëne is in de huidige omstandigheden dan ook het parool. Nogmaals: het is niet ideaal maar gaan met een kruk is beter dan blijven liggen. Stapje voor stapje komen we weer op gang.

De afgelopen maanden is de kerk niet stilgevallen omdat er geen publieke vieringen waren. Het vrijwilligerswerk ging gedeeltelijk door. De diaconale inzet liet zich niet afremmen door corona. Vooral de digitale wereld kende een stevige groei. Vergaderingen vonden plaats via Skype. You-tube filmpjes met daarop een ‘woord van de pastoor’ werden opgenomen, op website en facebook geplaatst en gretig bekeken. Voor het eerst verzorgde ik voor mijn studenten colleges via Zoom. Allemaal mooi en nobel. We mogen dankbaar zijn dat de technologie dit alles mogelijk maakt. Toch groeide onmiskenbaar het verlangen naar het echte leven. Ook in de kerk: we zijn immers geen virtuele maar een reële gemeenschap. We zijn mensen die leven van fysiek contact en niet van een scherm. We willen elkaar weer rechtstreeks in de ogen kijken, gewoon even met elkaar praten, face to face.

Ja, er ontbrak iets, iets onvervangbaars. Dat voelden we des te scherper toen de kerkdeuren eindelijk weer openzwaaiden. We hadden simpelweg elkaar gemist. Samen vieren, weten dat we deel uitmaken van een groter verband. God nabij weten in die vertrouwde parochiekerk waar we al jaren thuis zijn. Wat zei Vera Lynn al weer?  “Ik bracht voor die jongens ‘thuis’ wat dichterbij”. Ook in de kerk zijn we kind aan huis. Ik zag blije mensen. Er werd gezwaaid naar elke oude bekende. Menigeen zag ik een traan wegpinken. De belangrijkste les schuilt wellicht in de waardering van het eenvoudige. Doordat de hele wereld even stil stond, beseffen we beter wat er echt toe doet.

Het  echte leven herneemt. Voorzichtigheid blijft geboden. Laten we koesteren wat we hebben, dankbaar zijn voor elk stapje voorwaarts. Sommigen wachten nog even, kijken de kat uit de boom. Alle begrip. Tot hen zeg ik: “We’ll meet again. Some sunny day”. Op een zonnige dag.

David Lebrun, pastoor parochie H. Augustinus

Beeldenstorm
Wekelijks een woord van de Pastoor in beeld en tekst. 

Voor het filpje klikt u op de afbeelding. 

Hieronder de tekst.

De geschiedenis is nooit alleen van vroeger. De beeldenstorm die we in deze weken meemaken, is daar een bewijs van. Op de lagere school werd ons geleerd dat deze plaats vond in 1566. Heiligenbeelden werden door de “aanhangers van de nieuwe leer” (protestantisme) massaal van hun sokkel gehaald en vernield. Tot koning Filips II het genoeg vond en de hertog van Alva op de opstandelingen afstuurde.

Lees verder (klik hier)

Nieuwkuijkse kerk 65 jaar

“Ieder huisje heeft zijn kruisje”, luidt de volkswijsheid. Ieder Godshuis heeft er zelfs twaalf: de wijdingskruisjes, aangebracht langs de muren van het kerkgebouw. Twaalf kruisjes die ons eraan herinneren dat de kerk ooit gewijd of beter “geconsacreerd” werd. Waarom twaalf? Vanwege de symboliek. Zoals het Godsvolk uit het oude testament gestoeld was op de twaalf stammen van Israël, zo is het nieuwe Godsvolk (de kerk) gebouwd op de twaalf apostelen.

De wijdingskruisjes die de muren van de Nieuwkuijkse tempel decoreren, zijn een tastbare  herinnering aan de dag waarop de kerk werd toegewijd aan de eredienst. Voor de Nieuwkuijkse kerk is dat 65 jaar geleden. Op 20 juni 1955 consacreerde de toenmalige bisschop van Den Bosch, Mgr. Wilhelmus Mutsaerts, het nieuwe Godshuis. Een ontwerp van architect Nico van der Laan. Een goed jaar eerder had Pastoor Becx de eerste steen ervan gelegd.

Door het oorlogsgeweld in 1944 had de vorige neogotische kerk grote schade opgelopen. Een ervaring die toen heel wat dorpen in Zuid-Nederland meemaakten. Niet zonder reden zijn er tussen 1945 en 1963 ruim 1300 kerken in ons land gebouwd. Hierbij was het vaak zoeken naar een passende bouwstijl. De neogotiek had afgedaan. De jaren 30 hadden met architect Valk al een heel andere stijl laten zien. Daarnaast was de invloed van de Delftse School met Granpré Molière als voorman voelbaar. Hierop aansluitend besloot het bisdom Den Bosch in 1946 om een cursus kerkelijke architectuur in het leven te roepen. Deze driejarige opleiding ging door in het Kruithuis in Den Bosch en had als bedoeling een aantal architecten om te vormen tot “kerkenbouwers”. Eén en ander leidde tot de ontwikkeling van een heel eigen bouwstijl: de Bossche School. De Nieuwkuijkse kerk is hier een duidelijke exponent van. Een kerk, gekenmerkt door eenvoud, een ingetogen sfeer, een sobere vormentaal. Evenwicht in de maatverhoudingen is voor de Bossche School van kapitaal belang zodat de ruimte optimaal tot haar recht komt. De soberheid en de eenvoud van het “Bossche” interieur leiden dan ook tot een hoge mate van verstilling. Je treedt binnen in een ruimte die zo gestileerd is dat deze je verheft uit de alledaagsheid van het bestaan. Dat is toch wat een kerk hoort te doen!

Een kerk hoort nog meer te doen. Een kerk maakt van de huizen die er omheen staan een sociaal netwerk. Het kerkgebouw zegt impliciet tot elke bewoner van een dorp: “jullie hebben met elkaar te maken”. Een kerk geeft aan dat mensen geen toevallige voorbijgangers zijn, maakt hen bewust van de wortels van onze cultuur. Meestal zegt men: een kerk verwijst naar boven, naar de hemel. Is het niet andersom? Is de kerk niet het teken dat de hemel een woning zoekt onder de mensen? God wil niet veraf blijven. Hij wil onder ons wonen. We mogen bij Hem kind aan huis zijn. Daarom is en blijft de dorpskerk mensen zo dierbaar!

De Nieuwkuijkse kerk blijft herkenbaar dankzij haar toren. Deze dankt ze aan de “Vrolijke Torenbouwers”. Toen van overheidswege werd besloten geen subsidie te verlenen voor een kerktoren, kon pastoor Becx hier geen vrede mee vinden. Zijn kapelaan Harrie Speekenbrink riep met twee leiders van de scouting een comité in het leven. Dankzij allerlei “vrolijke” acties en twee grote zomerfeesten werden gelden ingezameld. Niet zonder succes. De toren is en blijft een dankbaar ijkpunt voor ons dorp.

Dagelijks zie ik talloze mensen langs de kerk voorbijkomen; in de auto, op de fiets, te voet. Ze zien de kerk. Het is onmogelijk haar niet te zien. Wellicht voor velen niet meer dan een zwijgzaam gebouw waarvan de facade haar enige boodschap is. Toch is ze aanwezig. Ze biedt herkenning, verpozing, troost aan de reiziger, op weg naar ergens of nergens. Ze moraliseert niet. Ze staat er gewoon, toont de weg, één enkel ogenblik, heel nabij, al 65 jaar!

David Lebrun, pastoor parochie heilige Augustinus

“Systemisch” of de dode hoek?

Terwijl ik dit schrijf -na de grote demonstratie op de Dam-  gaat het alleen nog over de fouten die burgemeester Halsema maakte. Begrijpelijk. Maar zo gaat het niet langer over het politiegeweld en de moord op George Floyd, zo gaat het dus niet meer over racisme. Wat me erg verbaasd heeft, is de opstelling van de Amerikaanse president. Waarom deed hij -als leider van de vrije wereld-  niet wat hij had moeten doen: verwijzen naar de gelijke waarde van alle mensen? De enige taal die hij lijkt te kennen is die van intimidatie en machtsvertoon.

Niet zonder reden hoor je in deze discussie de naam van William Wilberforce (1759-1833), de leider van de anti-slavernijbeweging. Al op jonge leeftijd was hij politiek betrokken in het Engeland van de 19e eeuw. Hij bleef dat tot aan zijn pensioen. Toen hij 26 was, bekeerde hij zich tot het christendom. Niet zonder resultaat. Hij wijdde zich toe aan de verbetering van de levensomstandigheden van zijn medemens. Hij zag hoe de arbeiders werden uitgebuit door hun werkgevers, hij zag de verpaupering in de grote steden, de ellendige omstandigheden waarin de gewone mensen moesten overleven. Wilberforce kreeg invloed en gebruikte die tegen de slavenhandel. Hij nam geen blad voor  de mond. Ook al werkten vele politieke partijgenoten hem tegen, door zijn toedoen werd er in 1807 een wet aangenomen die slavenhandel illegaal maakte. Een maand na zijn dood in 1833 was de “Slavery Abolition Act” een feit: alle slaven in het Britse Rijk kregen hun vrijheid terug.

Maar Wilberforce deed meer. Hij wist dat hij zijn doel nooit zou bereiken zonder een tweede doel: de hervorming van de moraal. Proberen een einde te maken aan het kwaad was zinloos als hij niet ook in staat was de waarden van de bevolking te veranderen. Hij moest het Britse volk ervan overtuigen dat er een morele consensus over het onrecht moest komen. In feite zeiden de oude Romeinen het al: “Quid leges sine moribus?” Wat baten wetten als er geen moraal is? Hoe sterker en verhevener de moraal, hoe minder wetten er nodig zijn. Hoe sterker de waarden, hoe minder regels en normen noodzakelijk zijn. Toegepast op dit item: hoe sterker de overtuiging dat elke mens gelijk, – ongeacht ras, kleur, geaardheid-  hoe minder anti-racistische regelgeving nodig is!

U zult wellicht denken: dat geldt toch voor ons niet. Zou het? Als een ander schijnbaar sterk van ons verschilt, zijn onzekerheid en angst niet ver. Racisme zit in de dode hoek. Wie zichzelf ziet als bij uitstek tolerant -een eigenschap waar Nederlanders groot op gaan- reageert gebeten op het verwijt van racisme. Maar laten we eerlijk zijn: wie wit is, heeft al meteen een wit voetje en dus een voetje voor. Op de arbeidsmarkt, de huizenmarkt, in de supermarkt, op het vliegveld: wit heeft altijd de wind mee. Een oneerlijke start? Een verzwegen vooroordeel?

Ik hoor u zeggen: hallo, we hebben toch alle mensen lief? Het probleem met een dode hoek is dat je die niet ziet. Ook niet als ik zelf in de dodehoekspiegel kijk. Ons land is een ex-koloniale, ex-witte ex-wereldmacht. Dit maakt in de spiegel kijken drie keer lastig. Een zelfbeeld koesteren van voorbeeldland, is niet ongevaarlijk. De kans dat de geschiedenis je dan inhaalt, is denkbeeldig. Dat geldt ook voor de kerkgeschiedenis. Reeds nu wonen er in ons land een miljoen migrantenchristenen. Kunnen hun jeugdige vitaliteit en hun gemeenschapszin geen opsteker zijn voor onze verouderde kerk?

Wilberforce geeft te denken, ook zowat twee eeuwen na zijn dood. Zijn verhaal is helder: Laten we met elkaar omgaan als elkaars gelijken. Hoe klonk de gouden regel alweer: “Wat jij niet wilt dat jou geschiedt, doe dat ook een ander niet.”

David Lebrun, pastoor

Ten oorlog?

Wanneer ik deze column schrijf, is het nog mei. Dit jaar zou m.n. ook de maand mei in het teken hebben gestaan van 75 jaar bevrijding; met als hoogtepunt 4 en 5 mei. Overal stonden er evenementen op het programma: herdenkingen, festivals, concerten, symposia, bezoeken aan plaatsen waar destijds een belangrijke slag is geleverd,…Sommige gebeurtenissen zijn toch doorgegaan en waren digitaal te volgen. Veel is echter afgelast. In dagbladen en tijdschriften lazen we in de afgelopen meimaand wel nog tal van intervieuws en reportages. Op televisie werden de dodenherdenking en de bevrijding passend herdacht; met een beklijvende toespraak van koning Willem-Alexander.

En toch, de viering van 75 jaar bevrijding werd ergens ook overschaduwd door die ene gedachte die natuurlijk niemand hardop uitspreekt maar die wel leeft: de bevrijding van corona interesseert me op dit moment meer. En dat terwijl iedereen weet dat de vergelijking niet alleen mankt loopt maar ook onkies is. Deze vergelijking stoot terecht op verontwaardigde reacties. Het virus is niet te vergelijken met een oorlog. Schaam je! Toch valt het me op dat het voortdurend gebeurt in onze taal- en woordkeuze. Zelden hoor je er iemand tegen in opstand komen.

Op televisie bespeur ik het dagelijks in het programma “Frontberichten”. Wellicht heeft u wellicht iets van dat programma meegekregen. Nederlanders met een  beroep in de zorg of verpleging delen hun ervaring. Via website word je aangemoedigd “jouw frontbericht” te plaatsen. Op diezelfde site lees ik: “Tienduizenden Nederlanders met cruciale beroepen staan op dit moment aan de frontlinie.” Dit soort woordgebruik bespeur ik vaker. Wanneer ik lees over “de strijd aanbinden met alle mogelijke wapens”, “de afdeling intensieve zorgen is een slagveld” en “we gaan deze oorlog winnen”. Het mag duidelijk zijn: sinds de uitbraak van corona komen er nogal wat oorlogsmetaforen voorbij.

Kan dat wel? Mag dat wel? Is dat geen belediging voor al die mensen die een oorlog overleefden en de trauma’s al jaren met zich meedragen? Hoe respectvol is dat tegenover mensen die bijvoorbeeld in Syrië of waar dan ook moeten lijden onder de terreur van een dictatoriaal regime, nauwelijks eten en drinken hebben? Hoe erg corona ook mag zijn, we leven nog altijd in gezegende omstandigheden: er vliegen geen bommenwerpers over en we hoeven niet bang te zijn om te worden gearresteerd om onze mening. Als we even de straat ingaan, wachten er echt geen schutters om de hoek.

Het valt me ook op dat we in de media bij de herdenkingen terughoudendheid betrachten in het maken met oorlogsbeeldspraak. Daarbuiten grijpen we er heel gemakkelijk naar en voelen de ongepastheid ervan niet altijd aan.

Bovendien: maken we geen denkfout wanneer we het virus gaan zien als een bedreigende of vernietigende vijand? Kan een virus ervoor kiezen om vernietigend te zijn? Heeft een virus dan een vrije wil? Al eeuwen geldt de gezonde stelregel: “Alleen wetens en willens kan iemand kiezen voor een moreel kwaad”. Een virus is niet iemand en kan dan ook geen wil of verstand worden toebedacht. Het virus ontmenselijkt zijn slachtoffers niet en handelt niet vanuit wrede onmenselijkheid. Dat laatste doen alleen mensen. Het virus kan meedogenloos lijken maar het weet helemaal niet wat mededogen is. Wij mensen weten dat wel. En als het goed is, bejegenen we zo elkaar.

Laten we niet alleen zorgvuldig omgaan met elkaar maar ook met de woorden en de vergelijkingen die we gebruiken. Dit is geen oorlog, geen bezetting. Er zijn geen misdadigers. Geen fronten of wapens. Waar die wel zijn, dient dat te worden benoemd, ook met heldere woorden! Waar echt oorlog heerst, dient dat aan het licht te worden gebracht en is een vreedzame ontmanteling geboden. Gelukkig leven wij hier in vrede.

David Lebrun, pastoor parochie H. Augustinus